Lipizzan International Federation
Het onstaan van het lipizzanerras
Korte historiek van de fokkerij
Kenmerken van de Lipizzaner
De Lipizzaner: een pluridisciplinair paard.
Downloads

Stamboek 


Korte historiek van de fokkerij


Gedurende twee eeuwen ontwikkelde zich het lipizzanerras, op de plaats van oorsprong, Lipizza, beschermd door de macht van de Habsburgers. De weersomstandigheden en de ruwheid van een rotsachtige bodem, zowel als de vooruitgang in de zoötechniek droegen bij tot de kracht en de lange levensduur van de huidige Lipizzaner.

In de 18e eeuw telde de stoeterij van Lipizza driehonderd paarden. Zij werden beschouwd ald de beste zadelpaarden en door hun doordringende kwaliteiten hadden zij een invloed op de fokkerij van de ganse Donaumonarchie. Vanaf 1722 kon de oorspronkelijke merriestapel in Lipizza zelf gedekt worden. Dekhengsten worden gezonden naar de keizerlijke en koninklijke stallen van Babolna in Hongarije, en Radautz in Bukovini, naar Piber in Styrie en naar Fogaros aan de grens van Transylvanië.

Helaas snapte ook het Lipizzanerras niet aan de wisselvalligheden van de geschiedenis die voor hen begon met de veldslagen van Napoleon in 1797, 1805 en 1809. Tot driemaal toe moesten wegens de nadering van franse troepen, de paarden uit de stoeterijen van Lipizza en Hongarije geëvacueerd worden. Enkelen bleven in de stoeterij Mezöhegyes, opgericht in 1785, waar zij de oorspronkelijke fokkerij vormden van de Hongaarse Lipizzaner, een fookerij die, sinds 1866 werd voortgezet in de stoeterij van Fogaras. Gedurende hun laatste vlucht verbleven de Lipizzaners 6 jaar te Recksa, aan de rand van de Maros. Zij hadden er te lijden van het klimaat en de samenstelling van de bodem, die anders waren dan deze van Karst. Gelukkig brak opnieuw een vredestijd aan die zij doorbrachten in Lipizza en waarin de fokkerij zich verder kon ontwikkelen en de doorstane negatieve invloeden vergoed werden. In 1861 begon men met de veulens te brandmerken. Dan brak de eerste wereldoorlog uit en opnieuw werden op bevel van keizer Frans)Josef al de paarden uit Lipizza geëvacueerd in mei 1915. de 300 paarden werden verdeeld tussen de keizerlijke stoeterijen in Laxemburg bij Wenen en deze van Kladrub in Bohemen. Na de val van het Hongaars Oostenrijkse keizerrijk in 1918 werd de streek van Trieste bij Italie gevoegd, die de Lipizzaners opeisten. Na twee jaar werden onderhandelingen gevoerd om het deel van de paarden, gestald in Laxemburg, terug te krijgen. In 1920 werden 107 paarden aan Italie afgestaan uit de stoeterij van Lipizza. De eerste Oostenrijkse republiek behield 97 paarden waarbij naderhand nog deze uit de stoeterij van Radautz werden gevoegd. In november 1920 werden zij terug naar Piber overgebracht waar de fokkerij werd verder gezet volgens de regels van de oude Keizerlijke stoeterij Lipizza, in enge samenwerking met de Weense rijschool.

In 1921 richtte de Tsjechische staat, met 37 paarden uit Kladrub, de stoeterij van Topolcianky op. Maar tijdens de tweede wereldoorlog kreeg dit ras de zwaarste tegenslagen te verduren en werd zelfs met uitsterven bedreigd.

Na de “Anschluss” van Oostenrijk in 1938 werd de stoeterij van Piber afhankelijk van het ministerie van landbouw van het “Reich”. De Weense rijschool werd gemilitariseerd en beheerd door de Wehrmacht. In 1939 nam Alois Podhajsky de leiding over de ruiterafdeling onder de titel van Kommandeur. Op dat ogenblik had de grote Duitse ritmeester, Doktor Gustav Rau, hippoloog met wereldfaam, een aanzienlijke macht. Zo besliste hij al de Lipizzaners uit de door Duitse troepen bezette landen in de stoeterij van Hostau, in Bohemen te verzamelen. Hij verhuisde in 1941 de stoeterij van demir Kapia die toebehoorde aan het Yougoslavische koningshuis. In 1942 volgde Piber en in 1943 deze van Lipizza. Het geheel betrof 350 Lipizzaners.

Door het ondoordacht verkopen van paarden tijdens de laatste oorlogsjaren werd hun aantal, vooral voor deze afkomstig uit Piber, sterk uitgedund.

In maart 1945, bij de nadering van het oostelijk front en de veelvuldige luchtaanvallen op Wenen, beslistte Kommandeur Podhajsky de paarden te evacueren, ondanks het verbod van de militaire gouverneur in Wenen. Deze vreesde dat door het vertrek van de Lipizzaners uit de Weense rijschool, gelegen in het midden van de stad, de reeds angstige bevolking de juiste situatie zou begrijpen. Ten koste van de grote moeilijkheden bracht Podhajsky in maart 1945 het kostbare tuigwerk, de kunstwerken en archieven van de school, samen met 7 hengsten uit Wenen weg. Op die manier stelde hij het hem toevertrouwde patrimonium in veiligheid. Hij vond een onderkomen in Sint-Martin bij Ried. Op 7 mei 1945 vond in een weide een demonstratie van hogeschool dressuur plaats. Deze werd historisch door het feit dat na de afloop Kommandeur Podhajsky aan Generaal Georges Patton de bescherming vroeg van het Amerikaanse leger voor deze culturele instelling. Ook bereikte hij de terugkeer van de overgebleven Lipizzaners uit Hostau die gevaar liepen als oorlogsbuit in de handen van de Russen te vallen. Een Amerikaanse gemotoriseerde colonne van het tweede regiment van de ruiterij, onder het bevel van kolonel Charles Reed, voerde uit de stoeterij van Hostau in Tsjecho-Slowakije de overgebleven paarden weg. Zij doorkruisten gedurende 500 km de nog belegerde gebieden tot in Schwarzenberg in Beieren. Op die manier verzekerden zij het voortbestaan van de Lipizzanerfokkerij. Deze prestatie uit de lente 1945 inspireerde in 1962 Walt Disney, die er een zeer mooie film van maakte, getiteld “De Grote Thuiskomst”.

In juni 1946 kreeg Lipizza een deel van de Lipizzaners terug. Italië eiste echter een aantal van deze paarden op met dewelke zij in Monterotonde bij Rome, een stoeterij oprichten. Deze bestaat nog steeds. De paarden terug aan Oostenrijk toegewezen, werden in Amerikaanse zone ondergebracht, waar een voorlopige verblijfplaats werd gecreëerd in het kasteel van Winsbach op 20km van Wels.

De Spaanse rijschool van Wenen verbleef hier 10 jaar in ballingschap. Gebruikmakend van de bij elkaar gelegen school en fokkerij kwam Kolonel Podhajsky tot verstandige resultaten in de fokkerij. Vele van deze producten blonken gedurende lange jaren in de Spaanse rijschool van Wenen uit, vanwege hun grote kwaliteiten. Hij stond erop deze school het prestige uit de tijd van de Habsburgers terug te geven. Hij reorganiseerde publieke presentaties waarvan ook de bezettingstroepen konden genieten. Hij gaf demonstraties in heel West-Europa en voor de eerste maal ook in Amerika, waardoor hij de Lipizzaners over de ganse wereld bekend maakte. Wanneer Oostenrijk bevrijd werd van zijn militaire bezetting deden de Lipizzaners, in oktober 1955, hun feestelijk intreden in Wenen. Daar vonden zij hunprachtig barok milieu terug: de rijschool van Hofburg, opgericht in 1735 door Keizer Karel VI. De lipizzanerfokkerij kon, in de herfst van 1952, eindelijk terug naar de stoeterij van Piber. Na enkele moeilijke jaren werd het beheer ervan in 1957 toevertrouwd aan Dokter H. Lehrner, onder wiens leiding in de loop van de jaren, de fokkerij een schoonheid bereikte die we op dit ogenblik nog steeds behouden. Zo eindigde de zwerftocht van de Lipizzaners.


© 2018 alle rechten voorbehouden Belgian Lipizzan Studbook | Webdesign: Pweb-solutions