Geschiedenis
In het Europa van de 16de eeuw werden oorlogen uitgevochten met slagwapens en lichte wapens, op kleine oppervlakten en met wendbare paarden. Bij de adel waren de paarden van Spaanse afkomst, indrukwekkend zowel onder het zadel als in het rijtuig, dan ook bijzonder in de mode.
Zo besloot men in de 16de eeuw in het grote Habsburgse rijk met een eigen fokkerij van Spaanse paarden te beginnen en werd in 1562 de hofstoeterij in Kladrub (Bohemen) opgericht.
In 1580 werd door aartshertog Karl von Steiermark een groot landgoed van de bisschop van Triëst te Lipica aangekocht om in de Karst te gaan fokken. De Karst, nu gelegen in het huidige Slovenië, was een heel ruig, rotsachtig gebied en de bedoeling was om harde, sterke paarden te fokken. Dit alles in navolging van koning Filip II van Spanje die in 1567 een grote stoeterij in Cordoba oprichtte met de allerbeste paarden van Spanje. Deze stoeterij wordt gezien als het begin van de PRE (Pura Raza Española).
Er werden verschillende hengsten en merries in Spanje aangekocht die tezamen met enkele inlandse Karst paarden de basis vormen van het latere Lipizzanerpaard.
Deze fokkerij, inmiddels “keizerlijke stoeterij”, stelde zich tot doel: het fokken van een licht en wendbaar rij- en koetspaard, indrukwekkend en gracieus met een enorm uithoudingsvermogen, hard beenwerk en een ijzersterke gezondheid.
De paarden moesten kunnen dienen voor de meest uiteenlopende taken aan het keizerlijk hof. Als rij- en hogeschoolpaard voor de hoge adel, voor het dagelijks gebruik in het leger en op het slagveld en voor de keizerlijke posterijdiensten. Daarnaast kregen de kwaliteitsvolle Lipizzaners al snel een taak als rassenverbeteraar in de militaire en burgerlijke fokkerij.
Alle koninklijke en keizerlijke stallen hadden Lipizzaners op stal. Lipizzaners werden uitgewisseld als een zeer gewaardeerd geschenk tussen staatshoofden. De Lipizzaner werd honderden jaren als uiterst waardevol aanzien zowel om mee te pronken omwille van hun indrukwekkende voorkomen, als omwille van hun uithouding en intelligentie in de taken die ze dagdagelijks in de koets en onder het zadel moesten verrichten.
Vanuit heel Europa werden paarden met Spaans bloed aangekocht voor de stoeterij in Lipizza (Lipica). De oude stamboeken vermelden ook steevast als type/ras “Spanier” of “Karster”. De naam “Lipizzaner” kreeg het ras eerst in de 19de eeuw.
Toen de kwaliteit van de fokkerij in Spanje zelf in de 18de en 19de eeuw terugliep, gebruikte men steeds vaker zgn. “Neapolitaners”, een inmiddels uitgestorven barok paardenras dat ook Spaanse “roots” kende uit Zuid-Italië. In de 2de helft van de 19de eeuw werd ook naar de toen heersende mode, Arabisch bloed in de fokkerij gebracht maar het oude, zgn. barokke type is nooit verloren gegaan. De typische Arabische invloeden werden na 1890 weer uitgeselecteerd.
Naast de oorspronkelijke staatsstoeterij in Lipizza werd de Lipizzaner op vele andere plaatsen in het grote Habsburgse rijk gefokt zoals in het Hongaarse Mezohegyes en het Zevenburgse Radautz (enkele grote militaire stoeterijen). Ook de adel fokte Lipizzaners in privé stoeterijen bijvoorbeeld de familie Jankovics-Besan in Tereszovac, de graven Eltz in Vukovar, de Hongaarse graven Esterhazy in Tata en Pallavicini in Pusztaszer.
Heden ten dage zijn in de fokkerij acht hengstenlijnen overgebleven waarvan er zes in directe lijn teruggaan op Spaans bloed (Conversano, Maestoso, Favory, Neapolitano, Tulipan en Incitato), één op een Arabische hengst (Syglavy) en één op een Deense hengst (Pluto).
De nu zo beroemde schimmelkleur van de Lipizzaner heeft zich pas doorgezet na de invoering van Arabisch bloed. Voordien kwamen verhoudingsgewijs meer verschillende kleuren voor zoals zwart, bruin, isabel, vaal en zelfs bont. Tegenwoordig komen de kleuren zwart, bruin en donkerbruin nog voor, zij het in geringe mate.
Na het uiteenvallen van de Donaumonarchie tijdens WO I werd het grote rijk, wat ooit het Habsburgse rijk was, opgedeeld in verschillende kleinere landen. In ieder van die landen kende men van oudsher een traditie in het fokken van Lipizzanerpaarden en deze traditie werd na de herverdeling van Midden-Europa verdergezet zodat we ze momenteel nog vinden in grote stoeterijen in Oostenrijk, Hongarije, Roemenië, Slovenië, Kroatië, Servië, Bosnië-Herzegovina, Slowakije en zelfs in Italië.
In de voormalige Oostbloklanden werden Lipizzaners vaak gebruikt als landbouwpaard, tuigpaard en als verbeteraar van inheemse paardenrassen. Daarnaast wordt de Lipizzaner ook privaat gefokt in de meeste landen van West-Europa, evenals in de VS, zelfs in Australië, Zuid-Amerika en Zuid-Afrika.
De meeste landen waar Lipizzaners gefokt worden hebben landelijke stamboekorganisaties die aangesloten zijn bij “The Lipizzan International Federation” (LIF).
Deze organisatie (waarvan België tot één van de stichtende leden behoort) heeft tot doel iedereen te verenigen die zich met Lipizzaner paarden bezighoudt, zij probeert de internationale samenwerking op het gebied van fokkerij te bewerkstelligen en te waken over het behoud van één van de oudste cultuur paardenrassen ter wereld!